AREI - wijzigingen voor huishoudelijke elektrische installaties

Geplaatst op 11/05/2020

1. Definitie van een huishoudelijke installatie (zie Boek 1, Onderafdeling 2.2.1.1.) 

Een huishoudelijke elektrische installatie is hetzij een elektrische installatie, samengesteld uit één of meerdere installatie-eenheden die een wooneenheid of de gemeenschappelijke delen van een residentieel geheel voeden. Indien een eenheid dus bedoeld is om in familieverband of als gemeenschap te leven, wordt dit aanzien als een huishoudelijke installatie. Elke werkeenheid wordt dan per definitie beschouwd als een niet-huishoudelijke installatie.

De huishoudelijke werkeenheid, voorbehouden om er werken in uit te voeren die niet onder toepassing vallen van artikel 28 van het ARAB (dus: zonder personeel of gelijkaardig), behoort vanaf 01/06/2020 ook tot de niet-huishoudelijke installaties!

In tegenstelling tot bijvoorbeeld de gemeenschappelijke garage, de trappenhal,... behoren de technische lokalen van een residentieel geheel (vb. exclusief lokaal voor de tellers, stooklokaal, machinekamer van de lift,...) vanaf 01/06/2020 evenzeer tot de niet-huishoudelijke installaties.

2. Schema’s, plannen en documenten (zie Boek 1, Afdeling 3.1.2.) 

Voor elke nieuwe of vernieuwde huishoudelijke installatie moet de uitvoerder de eendraadsschema’s en de situatieplannen opstellen. Deze schema’s moeten ondertekend worden door zowel de uitvoerder als de eigenaar van de installatie.

Het dossier van de elektrische installatie dient – indien van toepassing – aangevuld te worden met de lijst van de evacuatiewegen en de moeilijk evacueerbare ruimten en het plan en de lijst van de veiligheidsinstallaties (zie Boek 1, Hoofdstuk 5.5.) en/of de kritische installaties (zie Boek 1, Hoofdstuk 5.6.). Deze zullen voornamelijk van belang zijn voor de gemeenschappelijke delen van een residentieel geheel.

3. Differentieelstroominrichtingen (zie Boek 1, Onderafdeling 4.2.4.3.) 

Ten minste één differentieelstroominrichting, met gevoeligheid £ 300mA en nominale stroomsterkte ≥ 40A, moet in het begin van de huishoudelijke installatie worden aangebracht. Deze is minstens van het type A, en moet verzegeld kunnen worden aan de ingangsklemmen.

Bovenstaande is eveneens van toepassing op elke belangrijke wijziging of belangrijke uitbreiding van een huishoudelijke elektrische installatie (bvb. een PV-installatie).

4. Bescherming tegen thermische invloeden (zie Boek 1, Onderafdeling 4.3.3.5) 

De geïsoleerde geleiders en kabels met enkel de kenmerken F1 of F2, SA en/of SD mogen in hoofdzaak enkel buiten het gebouw geplaatst worden, doch wel met inbegrip van de in het gebouw binnenkomende uiteinden (beperking tot 10m én tot het eerste compartiment).

In het gebouw mogen enkel volgende geïsoleerde geleiders en kabels gebruikt worden:

  • klasse Eca indien afzonderlijk geïnstalleerd 
  • klasse Cca indien in bundel of in laag geïnstalleerd 

Voor de evacuatiewegen in gebouwen (vb. de trappenhallen en gangen) dienen de geïsoleerde geleiders en kabels bovendien de aanvullende verklaringen a1 en s1 te bevatten (de “halogeenvrije” kabels).

5. Exclusief toegekende stroombanen (zie Boek 1, Onderafdeling 5.2.1.2) 

Elk toestel of elke machine met vaste standplaats met een nominaal vermogen groter of gelijk aan 2600W moet afzonderlijk gevoed worden door een exclusief toegekende stroombaan. Hetzelfde is van toepassing op de wasmachine, de afwasmachine, de droogkast, het elektrisch fornuis, de elektrische kookplaat, de elektrische oven en de toestellen van een elektrische verwarming met vaste standplaats. De doorsnede van de elektrische leidingen wordt gekozen in functie van het vermogen van de toestellen of machines. In geval van voeding via een contactdoos, bedraagt de minimale sectie 2.5mm², beveiligd met een automatische schakelaar met maximale nominale intensiteit 20A.

6. Toestel voor automatische wederinschakeling (zie Boek 1, Onderafdeling 5.3.3.5) 

Een toestel voor automatische wederinschakeling is toegelaten in huishoudelijke installaties, zij het enkel in combinatie met een differentieelstroominrichting. De koppeling is echter niet toegelaten met de ondergeschikte differentieelstroominrichting voor de beveiliging van de badkamer, wasmachine, droogkast en afwasmachine.

7. Gemeenschappelijke aardverbinding (zie Boek 1, Onderafdeling 5.4.2.1) 

Een gemeenschappelijke aardverbinding mag onder meer toegepast worden voor individuele huizen of individuele appartementsgebouwen met gemeenschappelijke funderingen. De aardspreidingsweerstand van deze aardverbinding moet kleiner zijn dan 30 ohm. Om de meting te kunnen uitvoeren, wordt één enkele aardingsonderbreker voorzien, die voor alle betrokken partijen (eigenaars, beheerders, erkende organismen,...) bereikbaar blijft. Deze gemeenschappelijke aardingsonderbreker moet als dusdanig gemarkeerd worden met de adressen van de betrokken installaties. De schema’s en plannen van elke installatie moeten ook melding maken van deze gemeenschappelijke aardingsonderbreker.

8. Afwijkende beschikkingen (zie Boek 1, Hoofdstuk 8.2.) 

Voor huishoudelijke installaties, aangelegd na 01/06/2020, zijn er geen afwijkende beschikkingen van toepassing. Dit betekent bijvoorbeeld dat – voor dergelijke installaties – het aantal enkel- of meervoudige contactdozen per kring steeds beperkt blijft tot maximaal 8, ook bij uitvoering van het eerste periodiek controlebezoek volgend op de gelijkvormigheidscontrole voor ingebruikname. 

Heb je vragen of meer info nodig?

Neem eerst eens een kijkje in onze FAQ. Antwoord niet gevonden? Dan kan je ons steeds telefonisch contacteren via 051 200 002 of vul het contactformulier in.